Terug naar alle sprookjes

Blauwbaard (Charles Perrault)

Scène 1: Het was vreemd, dat Blauwbaard reeds verschillende vrouwen had gehad en dat niemand wist, waar ze gebleven waren. Blauwbaard nodigde de dochters nu op een groot feest uit. Hij was zo vriendelijk en een goede gastheer, dat de jongste dochter hem toch aardig vond en zijn blauwe baard niet meer zo zag.

Scène 2: “Hier heb je,” zei hij, “de sleutels van de twee grote kamers met meubels, hier heb je de sleutel van die kamer waar de zilveren schalen bewaard worden. En hier zijn de sleutels van de brandkasten, waar al mijn goud en zilver in ligt. Dit kleine sleuteltje past op het kleine kabinet aan het einde van de gang op de benedenverdieping. Overal mag je ongestoord binnengaan, maar dáár niet.

Scène 3: Altijd maar dacht ze aan dat kabinetje op de beneden verdieping. Ze was zelfs zó nieuwsgierig, dat ze zo maar wegliep en langs een geheime trap naar beneden ging, zó haastig dat ze wel had kunnen vallen. Aarzelend stond ze nog even voor de deur, want ze dacht aan het verbod van haar man, maar de verleiding was te groot. Ze nam het sleuteltje en bevend deed ze de deur open.

Drieluik.